Jongeren uit de jeugdhulp aan het woord

Printervriendelijke versiePDF version

Een vijfdaagse staptocht of kamperen in de Ardennen. Drie jongeren die worden begeleid door Jeugdzorg Emmaüs Antwerpen konden het tijdens de voorbije paasvakantie uitproberen. Nieuwe ervaringen die hen heel wat bijbrachten.

Aangezien sommige jongeren nog minderjarig zijn, kozen we voor hen fictieve namen.

 

Nick (17) en Gaby (18) stapten samen met nog vier jongeren, twee begeleiders en enkele studenten en docenten van KdG Hogeschool van Santiago de Compostela naar Finisterra.

Nick: ‘In januari werd het Compostela-project in ons begeleidingstehuis voorgesteld. Omdat er zoveel jongeren kandidaat waren, moesten we een motivatiebrief schrijven. Op basis daarvan zou dan worden beslist welke zes jongeren mochten meegaan. Mij sprak het vooral aan om een week lang veel in de natuur te kunnen vertoeven.’

Gaby: ‘Ik wilde een ander land ontdekken. Spaans is mijn moedertaal, maar ik was nog nooit in Spanje geweest.’

Nick: ‘Pas een maand op voorhand kwamen we te weten dat we geselecteerd waren. Dat was best spannend, want we moesten vanaf dan nog heel wat regelen: allerlei documenten, wandelschoenen … Voor mij was het bovendien de eerste keer dat ik het vliegtuig zou nemen, ook dat leverde best wel wat stress op.’

Gaby: ‘Ik had wel al wat ervaring met wandelen, maar had dat nog nooit met een rugzak gedaan. We werden gewaarschuwd dat we zeker niet te veel bagage mochten meenemen. Toch had ik nog altijd te veel kleren en schoenen bij. Daar had ik tijdens het wandelen wel wat spijt van, want mijn rug en schouders deden pijn!’

Nick: ‘Zeker als we hellingen op moesten, woog die rugzak door. Elke dag stapten we gemiddeld twintig kilometer. Meestal liepen we in drie groepen: de snelle, de midden- en de bezemgroep. Ik heb vaak in die bezemgroep gelopen.’

Gaby: ‘Voor mij viel het stappen mee, al was het best pittig. Ik had het moeilijker met de groep. Normaal ben ik heel sociaal, maar ik vond niet echt aansluiting bij de anderen. Tijdens het wandelen vond ik dat niet zo’n probleem, maar ’s avonds in de slaapzalen voelde ik me wel vaak alleen.’

Nick: ‘Van die slaapzalen was ik geen fan. Meestal sliepen we in twee groepen: de meisjes samen en de jongens. Eén nacht lagen we allemaal samen op één grote slaapzaal. Er was weinig privacy, ook de douches waren vaak gemeenschappelijk. Gelukkig sliepen we de laatste nacht in een hotel, daar konden we zelfs in bad.’

Gaby: ‘Hoewel het niet altijd makkelijk was, ben ik wel blij dat ik ben meegegaan. Ik heb er toch rust gevonden, meer zelfcontrole. Zelfs de begeleiders zeggen dat ik sinds de trip ben veranderd.’

Nick: ‘Ik heb vooral ontdekt dat ik veel meer doorzettingsvermogen heb dan ik dacht. Ik heb het vaak moeilijk gehad onderweg, wou soms opgeven, maar dat was geen optie. Ik ben dus wel trots dat ik de tocht heb afgemaakt, want ik was elke avond kapot, had blaren en zere voeten. Zelfs een week later had ik nog spierpijn.’

Gaby: ‘Ook ik ben best trots op mijn prestatie, al vond ik het leuk om weer thuis te zijn.’

Nick: ‘Of ik het aan andere jongeren zou aanraden om zo’n tocht te doen? Ja, al vond ik het niet altijd leuk en denk ik niet dat ik het zelf nog eens zou doen. Maar iedereen zou eens moeten ervaren hoe het is, zeker de jongeren uit de leefgroep die ons op voorhand uitlachten!’

 

 

Sofia (16) ging via de ondersteunende dienst La Strada met een tiental andere jongeren kamperen in de Ardennen.

Sofia: ‘Mijn jeugdhulptraject begon pas drie maanden geleden. In een voorziening terechtkomen was niet makkelijk, een groep voelt voor mij al snel druk. Bovendien waren er thuis geen regels waar ik me moest aan houden, in de leefgroep zijn die er wel.’

‘Al vrij snel nadat ik werd geplaatst, werd me verteld over het natuurkamp van La Strada. Ik wist meteen dat ik meewilde. Om veel buiten te kunnen zijn, iets anders te kunnen doen dan wat ik gewoon ben. Ik had nog nooit gekampeerd. Een tent opzetten, het is niet eenvoudig de eerste keer, maar verder vond ik het meteen plezant.’

‘Het weekprogramma zat best vol. We deden wandeltochten en een hoogteparcours, we gingen rotsen beklimmen, leerden vuur maken en vlotten bouwen … Veel avontuurlijke dingen, maar daar hou ik wel van. Op de meest spannende momenten moedigden we elkaar aan om het toch te proberen. We vormden echt één groep.’

‘Vooral de sfeer van het kamp blijft me bij. We hebben veel gelachen, ook samen met de begeleiders. Zij voelden daar eerder aan als vrienden. Een van hen zie ik soms nog in de voorziening en dan zeg ik het haar nog steeds: ik heb heimwee naar het kamp. Ik heb vermoeidheidsproblemen en val vaak flauw in stresssituaties, maar daar had ik er minder last van. Ik heb echt moeten wennen toen ik terug was. Al was ik ook wel blij dat ik opnieuw kon douchen, want douches hadden we op onze kampplaats niet.’

‘Of ik iets heb geleerd tijdens die week? Ik heb mijn grenzen beter leren aangeven en heb ook ontdekt dat ik veel meer durf dan ik zou denken. Ook de begeleiding zegt dat het me goed heeft gedaan. Ik zou vaker tijd in de natuur moeten doorbrengen, dat helpt me om rustiger te worden en daar heb ik nood aan.’

‘Ik raad het alle jongeren aan om eens mee te gaan op zo’n kamp, voor mij was het een heel positieve ervaring. Ik wil mezelf nu weer op orde krijgen, zodat ik zoals iedereen aan een normale toekomst kan werken. Ik ga vooruit, maar langzaam. Maar ik vertrouw erop dat het weer goed komt. Ik schaam me er ook helemaal niet voor dat ik momenteel in de jeugdhulp zit. Liever geholpen worden dan in dezelfde moeilijke situatie blijven hangen. Er is niets mis met aan jezelf werken.’