‘Zonder de jeugdhulp had ik waarschijnlijk niet zover gestaan’

Printervriendelijke versiePDF version

Eind vorig jaar won Annelien Coppieters (25) de Vlaamse Scriptieprijs voor haar bachelorproef over het thuisgevoel in jeugdhulpvoorzieningen. Het onderwerp werd onder andere geïnspireerd door haar eigen ervaringen. ‘Mijn traject is niet altijd gemakkelijk geweest, maar de jeugdhulp heeft wel een bijzondere plaats in mijn hart.’

 

‘Ik ben blij dat ik de kans heb gekregen om mijn bachelorproef over de jeugdhulp te schrijven. Het grootste deel van mijn leven heeft zich daar afgespeeld. Hoewel het soms confronterend en verwarrend was, deed het deugd om iets met die ervaringen te kunnen doen. Veel jongeren zijn net als ik blij met de jeugdhulp, maar toch zijn er altijd wel kleine dingen die kunnen verbeteren om het thuisgevoel daar te vergroten, zoals meer huiselijkheid, nabijheid en spontaniteit. Ik vind het een compliment dat voorzieningen en hulpverleners nu met de inhoud van mijn bachelorproef aan de slag willen gaan, het zijn suggesties die van de jongeren zelf komen.’

 

JEUGDHULP?

‘Mijn eigen hulpverleningstraject is rond mijn twaalfde begonnen. Als kind stond ik nog niet echt stil bij mijn onveilige thuissituatie. Ik voelde wel dat er iets niet klopte en merkte dat ons gezin steeds meer geïsoleerd geraakte. Pas toen de situatie begon te wegen op mijn fysieke en mentale gezondheid, kwam de hulpverlening aarzelend op gang. Ik kon verschillende periodes in de geestelijke gezondheidszorg terecht. Op de een of andere manier voelde ik me goed bij die opnames, alsof ik eindelijk kon ademen. Pas toen ik op een dag in het ziekenhuis belandde, werd voor het eerst over jeugdhulp gepraat. Ik had daar nog nooit van gehoord. Erg achteraf gezien, want het is zo ontzettend belangrijk.’

 

ALLES UIT DE KAST

‘Er werd gekozen voor een crisisopname van twee weken, maar uiteindelijk ben ik zeven maanden in die voorziening gebleven. Ik wilde niet meer naar huis; mijn ouders wilden niet dat ik terugkwam. De directeur van die voorziening heeft echt alles uit de kast gehaald om de hulp voor mij te kunnen garanderen, iets wat ik nooit zal vergeten. Nadien ben ik op kamertraining gegaan, ik was toen vijftien. Met het zelfstandig zijn op zich had ik weinig moeite. Spaghetti maken, stofzuigen, met geld omgaan … Als er één ding is waar ik mijn ouders dankbaar voor ben, is het dat ze hun kinderen tot zelfstandige wezens hebben opgevoed. Maar ik wil het ook niet verbloemen: makkelijk was het niet. De voorziening lag afgelegen en ik moest veranderen van school. Mijn fysieke en mentale gezondheid waren ook weer slecht. Omdat ik voor alles toestemming moest vragen, was ik een buitenbeentje tussen mijn klasgenoten. Maar ik heb wel altijd het geluk gehad dat ik de juiste mensen om me heen had. Een voorziening en school zijn maar gebouwen, het zijn de mensen die er werken die het verschil maken.’

 

ROTS IN DE BRANDING

‘In die periode heb ik ook mijn familie teruggevonden. Op mijn zestiende moest ik mijn identiteitskaart laten vernieuwen in het dorp waar ik vandaan kwam. Op straat werd ik aangesproken door een oudere dame: ‘Ben jij Annelien?’ Het bleek mijn grootmoeder te zijn. Dankzij haar ben ik ook met de rest van de familie in contact gekomen. Vooral mijn pepe werd mijn rots in de branding, hij is intussen jammer genoeg overleden. Er waren periodes dat ik me kon verliezen in boosheid of jaloezie om mijn situatie en hij was een van de weinige mensen die me dan durfde terechtwijzen. Hij was een wijze man.’

 

STRUGGLE

‘Ik herinner me nog altijd het laatste wat mijn vader ooit tegen me zei: ‘Ga maar naar de jeugdhulp, je zal wel zien dat het thuis nog zo slecht niet was’. Daar dacht ik altijd aan op moeilijke momenten. En die zijn er vaak geweest. Zeker de jaren dat ik zelfstandig woonde – op mijn achttiende ging ik begeleid zelfstandig wonen – en studeerde waren zwaar. Er zijn momenten geweest dat ik naar de voorziening belde en vroeg: ‘Mag ik niet even terugkomen?’ Dat was niet mogelijk, maar dan probeerden sommigen me wel op een andere manier te helpen. Eigenlijk is alles na je achttiende het moeilijkst aan de jeugdhulp: dan ben je meer op jezelf aangewezen, maar je bent dan nog altijd maar achttien. Bega je geen fouten, dan zijn het stommiteiten. Letterlijk van de ene dag op de andere ben je je eigen boekhouder, je eigen contextwerker, je eigen budgetbeheerder … Al was het voor mij vooral emotioneel een struggle.’

 

VERTROUWEN IN HET LEVEN

‘Ook het OCMW heeft het me in die periode niet makkelijk gemaakt. Elk doel dat ik nastreefde – zoals verder studeren, psychologische hulp krijgen, een leefloon aanvragen of samenwonen – werd altijd zo’n gedoe, terwijl die doelen niet eens zo onrealistisch waren. Het zou goed zijn mocht het OCMW wat meer voeling krijgen met jongeren die uit de jeugdhulp voortstromen, zodat ze hen beter kunnen helpen en informeren om hun weg te vinden. Op dat vlak was afstuderen als orthopedagoge een ontlading. Ik kan voortaan instaan voor mezelf: voor de fouten die ik maak, de successen die ik behaal en voor het geluk dat ik heb bereikt. Want ja, ik ben gelukkig. Ik kan nu gewoon mezelf zijn, heb een droomjob gevonden – ik mag jongerengroepen organiseren rond geestelijke gezondheidszorg – en woon samen met mijn vriend. Al ga ik ervan uit dat ik het bij momenten nog knap lastig zal krijgen. Vroeger keek ik altijd uit naar mijlpalen, om achteraf teleurgesteld te zijn. Nu wéét ik dat er nog moeilijke periodes zullen komen, maar ook dat ik me sterker voel. En op de momenten dat ik me niet sterk voel, zijn er mensen rondom mij die me zullen opvangen. Vroeger kon ik mijn vrienden op twee vingers tellen, maar intussen heb ik een heel netwerk kunnen opbouwen, dankzij mijn familie, mijn vriend, de KSA en Cachet vzw. Ik heb vertrouwen gekregen in het leven, een groot verschil met vroeger.’

 

LOTJE TREKKEN

‘In zekere zin vind ik dat ik geluk heb gehad. In het leven moet je toch altijd een soort lotje trekken. Dat lotje bepaalt wat je thuis is, in welke voorziening je terechtkomt, welke mensen je tegenkomt, je gezondheid … Dat zijn allemaal zaken die je niet zelf kiest. Het ene zit mee en het andere niet. Ik prijs me gelukkig voor de dingen die meezaten en die ervoor hebben gezorgd dat ik hier nu zit. Want wat als ze destijds in het ziekenhuis niet hadden gezegd dat het misschien niet zo slim was om weer naar huis te gaan? Ik had die stap zelf nooit durven te zetten. En dan had ik nu waarschijnlijk niet zover gestaan. Ik heb nu ook een echte thuis, al mis ik het soms nog om deel uit te maken van een gezin. Maar ik timmer volop aan mijn weg en dat lukt aardig. Mijn jeugd voelt een beetje als een zwart gat: ik heb geen foto’s van vroeger, geen jeugdkamer die ik kan tonen, geen anekdotes over mijn kindertijd. Maar ik heb ervoor gekozen om op dat zwarte gat verder te bouwen, het heeft geen zin om te blijven verlangen naar wat ik niet heb. Ik werk nu bewust aan nieuwe herinneringen.’

 

© Foto Lieven Van Assche