Kinderopvang 2020 algemene visie en standpunten voor een kaderdecreet kinderopvang

Type:

standpunt

Publicatiedatum:

23.08.2010

Downloads:

Download alle bestanden
Printervriendelijke versiePDF version

 

    KINDEROPVANG 2020

algemene visie en standpunten voor een kaderdecreet Kinderopvang

Juni 2010  

I    ALGEMENE VISIE

II   STANDPUNTEN


  1. Definitie
  2. Recht op kinderopvang
  3. Vergunningen
  4. Betaalbaarheid
  5. Lokaal Loket neen, Infopunt ja
  6. Financiering


I        ALGEMENE VISIE

1. Voor de Vlaamse Gemeenschap staat de kinderopvang reeds meer dan een decennium hoog op de agenda. De ene uitbreidingsgolf volgde de andere op [1], aanhoudend liet Kind en Gezin onderzoeksrapporten aanleveren [2] en brainstormden beheerders, experten , initiatiefnemers en vertegenwoordigers over de toekomst van de kinderopvang. [3]. Leden en vertegenwoordigers van het Vlaams Welzijnsverbond participeerden zowat altijd aan al deze overlegfora en onderzoeken. We volgden de evoluties op de voet, ontwikkelden tal van beleidsgerichte nota’s en verzuchtten meermaals : zo kan het niet verder ! Ondanks alle inspanningen en middelen die werden vrijgemaakt, werd de uitbouw en organisatie van de Vlaamse kinderopvang steeds complexer, diverser, onoverzichtelijker…Initiatiefnemers werden permanent met regelgeving, projecten en korte termijnplannen bestookt.
De rode draad in de Vlaamse kinderopvang is al lang zoek. In haar memoranda aan de Vlaamse regeringen vraagt onze vereniging reeds lang naar een algemeen kader, een decretale basis voor de kinderopvang.  Niet alleen omdat de sector dat nu eenmaal omwille van zijn (maatschappelijk) belang verdient. Als Vlaams Welzijnsverbond willen een evenwichtige uitbouw van de kinderopvang op een stabiele basis nastreven: er moet integratie en transparantie tot stand gebracht worden, meer capaciteit nastreven moet gecombineerd worden met een kwaliteitsverbetering en kinderen moeten in de kinderopvang kunnen rekenen op voldoende en competente begeleid(st)ers.2. We lezen dan ook graag in het huidige Regeerakkoord 2009-2014 [4] van de Vlaamse regering dat de ontwikkeling van een kaderdecreet voorschoolse opvang als expliciet beleidsdoel vermeld wordt. Kinderopvang heeft in Vlaanderen nog nooit zoveel maatschappelijke en politieke aandacht gekregen als nu, het gebruik ervan kent een ongekende hoogte [5]. We betreuren evenwel erg dat het toepassingsgebied van het kaderdecreet beperkt wordt tot de voorschoolse kinderopvang. De kinderopvang tot 12 jaar, wordt hierdoor opgedeeld in twee delen, dit houdt in de toekomst voor kinderen een discontinuïteit en ruptuur in op basis van hun leeftijd. We gaan er dan ook van uit dat voor de buitenschoolse kinderopvang de komende jaren ook een decretale basis met uitvoeringsbesluiten wordt voorzien die zo naadloos als mogelijk aansluit op doelstellingen en uitgangspunten van dit kaderdecreet voor de voorschoolse opvang.

3. In het Regeerakkoord gaat het bij het ontwerpen van een kaderdecreet niet alleen om het creëren van een coherente, vereenvoudigde juridische onderbouw, maar over ‘het realiseren van voldoende, kwaliteitsvolle, toegankelijke en betaalbare kinderopvang “. De uitdagingen zijn groot.  Het initiatief tot het schrijven van een kaderdecreet wordt ook in één adem verbonden met kostenefficiëntie [6], met een inkomensgerelateerd bijdragesysteem, met de koppeling van aanbod aan de evolutie van nataliteit, met de uitoefening van een recht op kinderopvang enz.  Ook de realisatie van een statuut voor onthaalouders en de versterking van kwaliteit door het uitwerken van een doordacht en gecoördineerd competentiebeleid wordt terecht in het vooruitzicht gesteld.  De Vlaamse overheid zal ook werken aan gelijke en gecontroleerde vergunningsvoorwaarden voor elke opvang van kinderen. Meteen ligt de ambitie duidelijk en hoog op de onderhandelingstafel : kinderopvang zal inhoudelijk en financieel een speerpunt zijn voor deze Vlaamse regering.

4. De Beleidsnota 2009-2014 van Minister J. Vandeurzen [7] werkt deze beleidsdoelstelling verder uit [8] en zet, ondanks de economische crisis en algemene besparingsplannen, specifiek voor de kinderopvang een budgettair groeipad uit tot 2014. Er wordt dus niet alleen ingezet op een voldoende en betaalbaar aanbod maar ook op een kwalitatieve kinderopvang met algemeen vergunde kwaliteit, gelinkt aan opvoeding(sondersteuning), vrije tijd, armoedebestrijding en taalstimulering…
Dit alles is vanuit een internationaal perspectief bekeken, in Vlaanderen nog erg nodig[9] . Om dit te realiseren zal dus meer dan ooit een competentiebeleid in de kinderopvang moeten gevoerd worden [10]. Dat competentiebeleid willen we in de kinderopvang breed en consistent opvatten ( kwalificaties met een verhouding tussen hoger-, kort- en ongeschoolden, met degelijke EVC-regelgeving die uitgaat van een objectieve beoordeling en attestatie), geen overwicht van loutere tewerkstellingsprojecten en indien die er komen dan verwachten we een aangepaste ondersteuning van de voorzieningen en opleiding van verantwoordelijken voor trajectbegeleiding en coaching… 5. Voor ons is een kaderdecreet Kinderopvang een historisch keerpunt voor de sector. De eerste kinderdagverblijven ontstonden vanuit een grote betrokkenheid op armoede, werkloosheid, onderwijs, kinderbescherming en gezinsondersteuning [11]. De historische en maatschappelijke context vormde voor particuliere en caritatieve initiatieven steeds de achtergrond van hun werk. De huidige drie functies van de kinderopvang ( economisch, sociaal en educatief) waren impliciet aanwezig, weliswaar in een zich steeds onderling wisselende verhouding.
Zoals in vele sectoren van hulpverlening, kwam ook hier de overheid pas op de voorgrond na WO II. Daarvoor namen de particuliere initiatieven, met weinig tot geen overheidssteun, zo goed als mogelijk hun verantwoordelijkheid op. De overheid engageerde zich stapsgewijze, met een sterk gefragmenteerde regelgeving en met afgewogen interventies en financiële ondersteuning.Het voorbereiden en uitwerken van een kaderdecreet confronteert ons nu met alle onderliggende visies, historieken en praktijken. Het komt er op aan om met respect voor de diversiteit, opgebouwde kennis en betrokkenheid van alle actoren uit het werkveld een toekomstig kader te ontwerpen dat aan vele verwachtingen moet beantwoorden. Zo zijn er naast de kinderen die opgevangen worden ook de ouders die er een beroep op doen. Er zijn medewerkers die er professioneel actief zijn en sociale ondernemers die voor kinderopvang kiezen. Er zijn organiserende besturen en werkgevers die een degelijke werking en organisatie willen uitbouwen. Er zijn een overheid en een samenleving die veel behoeften hebben en willen investeren in de kinderopvang…6. Dit kaderdecreet is dus meer dan het werken aan een juridische onderbouw voor de kinderopvang, het betekent meer dan het opnieuw ordenen van een complexe en chaotische regelgeving, het is vooral een interpunctie, het ontwerpen van een toekomstgerichte en gedragen visie waarbinnen we op middellange tot lange termijn alle initiatieven en interventies in en rond de kinderopvang kunnen kaderen. Het is een uitgesproken kans om zowel een kwantitatief groeipad ( capaciteitsuitbreiding, dynamische evolutie van behoefte en demografie, verhoogde beschikbaarheid…) als een kwalitatief groeipad ( vanuit draagkracht van kinderen en gezinnen, professionele uitbouw en competentieontwikkeling, participatie aan samenleving, diversiteit …) uit te zetten. Daarom geven we deze nota ook de naam  ‘Kinderopvang 2020’. We gaan er van uit dat de kinderopvang er over tien jaar zowel kwantitatief als kwalitatief beter aan toe is dan de dag van vandaag. Die toetsing en evaluatie willen we reeds nu inbouwen : het zal op zijn concrete uitvoering, en dus op de over tien jaar bereikte verbetering zijn, dat we dit decreet willen evalueren.

7. De overgang naar een vernieuwd, beter en ander stelsel in de kinderopvang moet voor ons verzorgd, gepland en weloverwogen gebeuren. Omdat een herverdeling van financiële middelen uitgesloten is, zal de inzet van bijkomende middelen nauwkeurig moeten berekend en voorzien worden. Voor ons is plaatsverlies of verlies in tewerkstelling trouwens onaanvaardbaar.
Een kwantitatief én kwalitatief groeipad zal moeten verzoend worden met bvb. de invoering van een volwaardig statuut voor de onthaalouders (wat we ondertussen ook reeds meer dan 8 jaar willen gerealiseerd zien). Er zullen duidelijke keuzes moeten gemaakt worden.  8. Bij de uitdaging die voor ons ligt, willen we in onze visie vijf centrale uitgangspunten benadrukken [12] :

- kinderopvang is een gemeenschapsbevoegdheid met welzijn als kerntaak. Voor belangrijke maar, vanuit welzijn bekeken, bijkomende of indirecte opdrachten ( vanuit bvb. sociale economie, tewerkstelling, onderwijs…) moeten bijkomende en afgestemde middelen toegekend worden - kinderopvang is een professionele dienstverlening met aandacht voor de nodige competenties en voor een  kwaliteitsvolle en beschikbare omkadering en ondersteuning- kinderopvang heeft een het duurzaam karakter. Ook vanuit kostenstandpunt is het meer effectief om een duurzame, gesubsidieerde kinderopvang uit te bouwen dan om, op het eerste gezicht, goedkope systemen op te starten die achteraf toch moeten bijgestuurd worden [13] - als verbond willen we  het maatschappelijk verantwoord ondernemen  in de kinderopvang stimuleren [14] - een overheid moet zich vooral richten op haar kerntaak, nl. voorzien in een goede regelgeving [15] en toereikende financiering van de gestelde verwachtingen. Administratieve lastenverlaging, deregulering en verdere responsabilisering voor de initiatiefnemers is ons uitgangspunt. Lastenvermindering dus in plaats van het opleggen van allerlei bijkomende administratieve en nutteloze verplichtingen of procedures. Daarom we willen alle opgenomen administratieve verplichtingen die de Visienota nu suggereert afpunten en toetsen op hun meerwaarde… 9. Het Verbond dringt aan op een snelle uitvoering van de intentie om een matrix van de budgettaire consequenties van alle opties op te stellen. Om snel een volledig kostenplaatje te krijgen is het aangewezen niet te wachten en nu reeds ramingen te maken van alle openstaande of voorliggende pistes. Op die manier komt de volledige puzzel in beeld en kunnen keuzes beter onderbouwd worden en transparant besproken worden[16]. 10. Zoals dat van een organisatie als het Vlaams Welzijnsverbond mag verwacht worden, moet de rol en positie van de (veelal kleine) initiatiefnemers en organisaties een wezenlijk onderdeel zijn bij de uitwerking van een decreet. Kwaliteitsvolle kinderopvang die de draagkracht van elk kind en de verwachtingen van ouders en samenleving als uitgangspunt neemt, kan nu eenmaal niet zonder duurzame, competente en leefbare initiatiefnemers en organisaties. Het is vooral daar, op de dagelijkse werkvloer, dat de professionele expertise werd en zal worden opgebouwd en gerealiseerd.Voor de voorbereiding en totstandkoming van dit document danken we al onze leden en hun vertegenwoordigers [17].  
II       STANDPUNTEN


 1 – Definitie van Kinderopvang


11. Onder de definitie van kinderopvang zoals bedoeld in het decreet verstaan wij alle systematisch georganiseerde kinderopvang, zijnde opvang van minstens 10 uren per week gedurende minstens 10 weken per jaar, tot het kind voltijds naar de kleuterschool gaat, met uitzondering van opvang door verwanten t.e.m. de vierde graad van een lid van het (al dan niet nieuw samengesteld) gezin. Kinderen die voltijds naar school gaan als ze schoolrijp zijn, horen, ook voor vakantieopvang, thuis in de buitenschoolse kinderopvang. Onthaalouders die de beide vormen aanbieden, moeten dat natuurlijk na het decreet ook nog kunnen blijven doen.Het begrip omvat voor ons alle vormen van formele kinderopvang, ongeacht statuut, organiserend bestuur of doelpubliek ( dus niet wat door een gezin zelf wordt georganiseerd). Opvang aan huis bestaat reeds ( voor zieke kinderen bvb. of als flexibele opvang via gemandateerde voorzieningen) en moet via het vergunningstelsel erkend worden. Het verbond beschouwt dit als een bijkomende module die op vrijwillige basis bijkomend kan aangeboden worden. In belang van het kind, ouders en de werknemers die aan huis gaan moet de overheid hier dan ook minimale kwaliteitseisen opleggen.

Alle Nederlandstalige initiatieven ( administratieve voertaal en op de werkvloer) in Brussel ressorteren er onder.

Zoals hierboven reeds benadrukt verdient ook de buitenschoolse opvang tot 12 jaar, spoedig een decretaal kader dat aansluit bij dit kaderdecreet van voorschoolse kinderopvang.12. Voor een goede zorg in de kinderopvang zijn de volgende sleutelbegrippen voor ons essentieel

  • aandacht voor de draagkracht en het perspectief van elk kind
  • betaalbaarheid en keuzevrijheid voor alle ouders
  • toegankelijkheid voor iedereen
  • kwaliteitsvol, met daarin onder meer aandacht voor een degelijke omkadering, voor groepsgrootte en competenties
  • duurzame leefbaarheid en werkingsmogelijkheden van de voorzieningen
  • veiligheid (fysisch en psychisch welzijn van de gebruiker).

 13. Kinderopvang moet natuurlijk per definitie veilig ( in de ruime betekenis van het woord) zijn voor elk kind. In het decreet moet een algemene bepaling ingeschreven worden, bv “alle voorzieningen treffen de nodige preventieve maatregelen om het fysische en psychisch welzijn van de kinderen te verzekeren”. Verder precisering hoort o.i. thuis in de uitvoeringsbesluiten.14. Zeker en vast moet de positie van een aantal ‘tussenvormen’ van kinderopvang die nu niet onder de vergunningsvoorwaarden vallen en toch met een goede kwaliteit werken, later nog uitgeklaard worden ( denk maar aan opvang via bedrijven, aan vormen van vakantieopvang…). Zal fiscale vrijstelling nog mogelijk zijn, indien die bvb. bekomen wordt op basis van een soort vergunningsrecht, losgekoppeld van vergunningsvoorwaarden…?15. Kinderopvang heeft drie maatschappelijke functies ( economisch, educatief en sociaal ) , waarbij we de sociale opdracht uitdrukkelijk niet willen verengen tot specifieke acties voor bepaalde doelgroepen. Kinderopvang is steeds ingebed in de sociale context en stimuleert altijd het socialisatieproces. De definitie van een kwetsbaar gezin wordt best gekoppeld aan het inkomen. Zo zijn alleenstaande ouders niet noodzakelijk de meest kwetsbare of kansarme gezinnen.

16. Als verbond willen we een duidelijk onderscheid maken tussen de basisopdracht van elke vergunde opvang en eventuele, bijkomende vormen van dienstverlening die een initiatief zelf wil uitbouwen.- Zo is de basisopdracht voor elke vergunde opvang natuurlijk het verzorgen van een kwaliteitsvolle opvang en het nastreven van een evenwichtige realisatie van de economische, pedagogische en sociale functie. Vergunde voorzieningen hebben vanuit hun vertrouwensrelatie met ouders vaak ook een rol in de opvoedingsondersteuning . We merken dat dit aspect trouwens de voorbije jaren aan belang wint.[18]- Bijkomende dienstverlening kan aangeboden worden via een modulaire organisatieopbouw en geeft zoals vandaag recht op bijkomende tussenkomsten of ondersteuning ( bvb. flexibele opvang, occasionele opvang, inclusieve opvang, thuisopvang acuut zieke kinderen…)

2 - Recht op kinderopvang


17. Kinderopvang is voor ons geen afdwingbaar recht in hoofde van kind of ouders, maar ouders moeten een recht op een kwaliteitsvolle kinderopvang kunnen uitoefenen zoals voorzien in het Vlaamse regeerakkoord en de beleidsnota Welzijn. De term “recht” op kinderopvang is vatbaar voor interpretatie. In verschillende persartikels is sprake van een juridisch afdwingbaar recht op opvang, een 100 % garantie dus op een opvangplaats binnen 3 maanden. In de visietekst is het begrip anders ingevuld en wordt een groeipad vooropgesteld, tot volledige dekking van de behoefte in 2020. Die invulling is meer genuanceerd en verwijst naar de feitelijke behoeften en het gebruik van kinderopvang. En er is geen sprake van afdwingbaarheid.
Als verbond staan we achter de optie van de visietekst, maar om misverstanden te vermijden is het aangewezen om het begrip “recht” duidelijk te omschrijven of de terminologie aan te passen.18. Het principe van openheid voor iedereen, en non – discriminatie hoort onder de vergunningsvoorwaarden. Specifieke werkingen of voorrangsregels (voor bvb. kansengroepen of kinderen met specifieke zorgbehoefte…) worden volgens ons niet in dwingende quota of percentages ingeschreven en horen misschien eerder thuis op een ander niveau (bvb. subsidieregeling).

19. Inclusieve opvang van kinderen met specifieke zorgbehoeften is een opdracht voor erkende opvanginitiatieven. Dat staat niet ter discussie. Een verder te onderzoeken probleem blijft hierbij het stellen van de indicatie ( bvb. op basis van diagnostiek) dat het betrokken kind al dan niet kan functioneren in de gewone opvang, zich er goed voelt en erbij gebaat is. De mogelijkheden van opvangvoorzieningen voor die specifieke zorgverlening zijn trouwens niet onbeperkt ( denk maar aan nodige middelen, omkadering en specifieke kennis en vaardigheden ). Overaccentuering van een bepaalde doelgroep mag trouwens niet ten koste gaan van de kernopdracht of van de andere kinderen in de opvang. 20. Capaciteit is een belangrijk gegeven voor toegankelijkheid. We ondersteunen volledig het idee van een vooropgezette groeinorm maar willen programmatie koppelen aan ruimere demografische gegevens. Koppeling aan de nataliteit is niet voldoende, omdat de geboortecijfers geen rekening houden met immigratie en de duur van kinderopvang. Het criterium “aantal kinderen 0-3 jaar” zegt dan weer niets over de behoefte aan kinderopvang. Mogelijke alternatieven zijn: het aantal kinderen dat zich aanmeldt (af te leiden uit onderzoek naar het gebruik van kinderopvang) of het % kinderen jonger dan 3 in een bepaalde regio (vergelijkbaar met de programmatiecijfers in de ouderenzorg).21. Om de programmatie blijvend aan te sturen wordt het principe van een groeipad best ingeschreven in het decreet. Er moet een groeipad worden uitgewerkt waarbij met diverse factoren rekening wordt gehouden om via een dynamische uitbouw en planning op een redelijke termijn aan de behoefte aan kinderopvang te beantwoorden .
Programmatie vat alle vergunde opvang en heeft als doel een evenwichtige spreiding van kwaliteitsvolle, betaalbare opvangplaatsen, in de diverse werkvormen. Een bepaald evenwicht en de spreiding tussen openbare, private of andere initiatieven ( of organisatievormen ) moet het uitgangspunt zijn, zeker wanneer de kinderopvang inkomensgerelateerd zal werken. Er kan daarbij voorrang zijn voor regio’s waar het vooropgestelde doel nog niet bereikt is. Een meerjarenprogramma moet bekend zijn zodat voorzieningen tijdig hun planning kunnen opmaken en zich beleidsmatig kunnen voorbereiden en richten op nieuw initiatief .

3 – Vergunningen

22. Het invoeren van een algemene vergunningsplicht voor alle initiatieven van kinderopvang is terecht een wezenlijk deel van dit decreet. De Europese regelgeving zal dit maar aanvaarden in die mate dat deze plicht inderdaad algemeen is, zonder onderscheid.
Louter gemelde opvang moest al lang niet meer kunnen. Alle formele kinderopvang wordt gevat door een vergunningsplicht met één vergunningsprocedure voor alle werkvormen en overgangsmaatregelen voor bestaande initiatieven; duidelijke en effectieve sancties moeten bij niet naleving voorzien en toegepast worden.
Bijkomende overheidstussenkomsten, subsidies en tegemoetkomingen zijn gekoppeld aan bijkomende opdrachten en voorwaarden (modulair systeem).
Vergunningen zijn gebonden aan locaties, niet aan organiserende besturen maar organiserende besturen kunnen natuurlijk meerdere vergunningen hebben.23. We vragen aandacht voor ondersteuning, netwerking en samenwerking in de kinderopvang.
Het verbond is voor functionele netwerken op vrijwillige basis. Geografische afbakening of vastgelegde zorggebieden zijn uit den boze. Verwantschap van visie en vertrouwen in de partners primeren op nabijheid en garanderen de beste resultaten van samenwerking.
Om pragmatische redenen of omwille van de transparantie kan de overheid natuurlijk wel beperkende voorwaarden opleggen.
Samenwerking en netwerking moet organisch kunnen. Informatieverstrekking en eventuele samenwerking rond opnames en werken aan kwaliteit zijn van elkaar te onderscheiden opdrachten.
Werken aan kwaliteit willen we overigens ruim zien : naast kwaliteitsmanagement kan het ook vorming en de pedagogische begeleiding van het personeel inhouden. Samenwerken rond kwaliteit en pedagogische begeleiding horen thuis bij de minimaal verplichte vergunningsvoorwaarden, want louter alleen op zichzelf staande zelfstandige onthaalouders houden onverantwoorde risico’s en discontinuïteit in.24. Uit de principiële keuzevrijheid van partners om samen te werken volgt dat het netwerk geen rechtspersoon moet zijn. De partners leggen in de samenwerkingsovereenkomst de nodige afspraken vast om de continuïteit en de goede werking van het netwerk te verzekeren.Een ander gevolg van de keuzevrijheid is de beheersautonomie van het netwerk en van de individuele voorzieningen die er deel van uit maken. Het staat los van het lokaal overleg, het zorggebied van de gemandateerde voorziening of de bestaande informatiepunten- of tewerkstellingspunten.25. Zonder een degelijke ondersteuning kunnen de netwerken hun doelen niet realiseren. Onder degelijke ondersteuning verstaan wij voldoende werkingsmiddelen en personeelsomkadering.

De financiering loopt via de voorzieningen die een subsidie ontvangen voor participatie aan een netwerk dat aan de gestelde voorwaarden voldoet. Het betreft hier een forfait per plaats die geldt voor alle erkende plaatsen binnen de voorziening of organiserend bestuur, ongeacht de organisatievorm.26. Inzake kwaliteit dienen alle vergunde initiatieven te voldoen aan een minimale basiskwaliteit. Conform het kwaliteitsdecreet wordt op systematische wijze aan kwaliteit gewerkt.We denken aan de volgende voorwaarden voor kwalitatieve opvang :

  • Infrastructuur. Het is de rol van de overheid om (mee) in te staan voor aangepaste infrastructuur via subsidiëring. Normering moet niet in het decreet zelf, maar als bijlage of in een uitvoeringsbesluit opgenomen worden. Voor de binnenruimte wordt best de zelfde minimale oppervlakte ( 3 + 2 m 2 = 5 m 2 ) als nu voorzien, voor buitenruimte wordt best geen minimumoppervlakte voorzien (zie problematiek in steden).
    Het invoeren van een VIPA -buffer is natuurlijk oké, maar, zoals dat voor alle overheidstussenkomsten het geval is, moeten VIPA middelen alleen aangewend worden voor duurzame en niet voor louter winstgevende initiatieven. VIPA - steun moet gekoppeld worden aan de programmatienormen.
    Verder vragen we een hogere VIPA - vergoeding voor samenwerkende onthaalouders i.f.v. de brandpreventie.
  • Een voldoende en gekwalificeerd personeelkader.
    Een gemiddeld aantal kindbegeleiders moet in het decreet ingeschreven worden, omdat kwaliteit begint bij de begeleiders. Een voldoende norm voor kindbegeleid(st)ers, voor staffuncties en voor logistiek personeel ( 1 VTE per beginnende schijf van 30 kinderen bvb.) is voor de individuele voorzieningen uit te werken in de uitvoeringsbesluiten. De norm en schaalgrootte zijn nog bespreekbaar. Verantwoordelijken in de kinderopvang moeten niet om het even welke bachelor behaald hebben en het beschikken over sociaal/pedagogische vaardigheden lijkt ons hierbij wel wenselijk.
  • Concreet voorstel voor de ratio kind/begeleider :
    - gezinsopvang: gemiddeld 4 op kwartaalbasis en max 8 gelijktijdig aanwezig;
    - groepsopvang gemiddeld 6 kinderen, geen maximum aantal gelijktijdig aanwezige kinderen, omdat we de personeelsinzet als een verantwoordelijkheid van de voorziening beschouwen. We willen de beheersautonomie en –verantwoordelijkheid van de voorzieningen respecteren, het werken met gemiddelden is op zich al begrenzend en, last but not least, de huidige personeelsnorm laat nu al niet toe om de lange openingsuren te overbruggen. Om dit mogelijk te maken is een realistisch gefinancierde personeelsnorm die rekening houdt met capaciteit en alle openingsuren en –dagen noodzakelijk. Een strikte ratio van 1 op 6 zou een hogere personeelsnorm inhouden. In kleine vestigingsplaatsen van 14 zal de norm van twee begeleid(st)ers niet meer voldoen als je naar één op zes gaat. Hoe zal dit in de financiering ( 14 kinderen = drie begeleid(st)ers, dus één begeleider meer voor twee kinderen) opgevangen worden ?
    Het gevolg van dit alles is een hoge financiële meerkost ten gevolge van het wijzigen van deze norm!
  • In de discussie die over de piekmomenten aan de gang is, vinden we de draagkracht van de kinderen belangrijk. Wij vinden dat uitzonderingen op de normale capaciteit, die piekperioden toch zouden moeten zijn, niet thuis horen in het kaderdecreet. We willen hier benadrukken dat niet alle kinderen voldoende stressbestendig zijn of voldoende draagkracht hebben om optimaal te functioneren in een overvolle groep. Aangezien piekmomenten meestal gekoppeld zijn aan de (deeltijdse) werkroosters van ouders is het niet ondenkbaar dat sommige kinderen enkel op piekmomenten aanwezig zijn. Maar ook het effectief benutten van plaatsten en het feit dat elke organisatie nu piekmomenten nodig heeft om haar bezetting te halen ( en dus om de maximale subsidie te verkrijgen) zijn erg van belang om een werkbare en verantwoorde aanpak van piekmomenten uit te werken.
    Zowel voor de gezins- als de groepsopvang moet dus een duidelijk werkbaar systeem worden uitgewerkt voor het omgaan met piekmomenten of crisissituaties.
  • We vragen in dit kader specifieke aandacht voor het concept van de samenwerkende onthaalouders ( bvb. al dan niet in een gezinswoning ) en andere kleine voorzieningen.
  • We gaan akkoord met de externe screening van onthaalouders door een daartoe door de overheid gemachtigde organisatie. Grotere organiserende besturen kunnen dergelijk mandaat ook aanvragen. Dit zal voor de diensten werkdrukverlagend zijn. Het mag echter niet verward worden met de selectie- en aanwervingsprocedure die de diensten uiteraard zelfstandig afhandelen en beslissen. Via de screening kan de capaciteit van de onthaalouders bepaald worden.
  • Vergunningen gebeuren best op het niveau van de dienst voor onthaalouders voor de bij hun aangesloten onthaalouders. Door de invoering van het statuut voor onthaalouders worden onthaalouders werknemers, daardoor zal bvb. ook de arbeidsduur moeten vastgelegd worden. Voor zelfstandige onthaalouders gebeurt dat op het niveau van de onthaalouder zelf.
  • Een aangepaste groepsgrootte. Omdat de optimale groepsgrootte afhankelijk is van andere factoren, zoals de beschikbare ruimte, de pedagogische visie en de personeelsinzet hoort dit item niet thuis in het decreet, wel in de uitvoeringsbesluiten.
  • We zijn voor het opleggen van minimumkwalificaties voor alle kindbegeleid(st)ers in alle vergunde voorzieningen, op voorwaarde dat er werk gemaakt wordt van een verantwoord competentiebeleid en aansluitende opleidingstrajecten. We gaan akkoord met de verplichting op permanente vorming.
  • Zelfevaluatie is een opdracht voor alle vergunde initiatieven.
  • We zijn geen voorstander van het invoeren van labeling of certificaten, wat niet wegneemt dat we vinden dat extra inspanningen moeten aangemoedigd en gehonoreerd worden.

27. Met betrekking tot het toezicht en de inspectie willen we een onderscheid handhaven tussen het verstrekken van vergunningen, de controle erop, de draagkrachtscreening en kwaliteitsondersteuning. Dit alles staat niet los van de vraag hoe de overheid in de toekomst zal omgaan met de intersectorale beleidsoptie van accreditatie, die in verschillende beleidsteksten opduikt. Het geheel moet aansluiten op de algemene verbondsvraag voor deregulering en moet een meer regelmatige opvolging van alle initiatieven mogelijk maken. Belangrijk is wel dat er sluitende procedures uitgewerkt worden en de vergunning- en subsidiëringbevoegdheid een zaak van de centrale overheid (Kind en Gezin) is en blijft.

4- Betaalbaarheid

28. Streefdoel blijft voor ons dat op termijn alle voorzieningen inkomensgerelateerd werken, op voorwaarde natuurlijk dat de Europese regelgeving dat toelaat en de overheid voldoende middelen vrijmaakt om het systeem te veralgemenen.

Bij het toekomstige bijdragesysteem willen we alvast twee specifieke aandachtspunten meegeven: - de verhouding tussen een bijdragesysteem en de fiscale vrijstelling voor kinderopvang- de verhouding tussen een bijdragesysteem en de besteding van de geplande Vlaamse kindpremie 29. We staan achter het principe van betalen volgens de eigen draagkracht van het gezin, voor iedereen. De uitvoeringsmodaliteit kan eventueel wijzigen ( niet noodzakelijk het huidige IKG - bijdragesysteem, het is complex en niet per definitie overdraagbaar) en zal zeker nog wijzigen in de toekomst, dus eerder niet teveel in decreet opnemen.
Aandachtspunten hierbij: geen plafond voor de hogere inkomens omdat we evolueren naar een veralgemeend IKG- systeem ( voorstel van maximum + maximum 20% kan als overgangsfase hierbij wel nuttig zijn), verlaging van de administratieve lasten voor de voorzieningen, algemene vereenvoudiging en meer transparantie.
Let wel, het argument dat het opheffen van het bijdrageplafond ook meer inkomsten voor de overheid zal generen gaat niet op. De kans is groot dat gezinnen met een hoog inkomen alternatieven voor kinderopvang buitenshuis zoeken (au pair, nanny) of gebruik maken van voorzieningen met een vrije prijssetting. 30. We gaan ook akkoord met het invoeren van het principe gereserveerde dagen zijn betaalde dagen. Ouders kunnen zo mee geresponsabiliseerd worden in het verantwoord gebruiken van kinderopvang en voorzieningen hebben nu eenmaal vaste kosten voor plaatsten die niet gebruikt worden. Gereserveerde dagen moeten natuurlijk meetellen in de berekening van de bezetting, afwezigheden moeten vergoed worden. We vragen hierbij aandacht voor de haalbaarheid bij de verdere uitwerking van bvb. omgaan met ziekte van kinderen, voor kwetsbare groepen en voor het voorkomen van evt. misbruiken.

31. We opteren verder voor een keuzevrijheid m.b.t. de inning van de gezinsbijdragen: initiatiefnemers kiezen voor het inningsysteem dat Kind en Gezin uitwerkte of innen de bijdragen zelf. In dat geval is er een bijkomende vergoeding voor i.f.v. de gemaakte administratiekosten.
 32. We behouden het liefst een veralgemeend sociaal tarief volgens vaste criteria, eenzelfde systeem voor alle vergunde opvang. Compensatie van voorzieningen voor het toepassen van een sociaal tarief moet nog onderzocht worden. Meer werk en risico op niet inning vergt meer subsidie.

5 - Lokaal Loket :neen, installatie van een Infopunt : ja

33. De huidige situatie roept reeds lang vragen op over de opdrachten en bevoegdheden van de verschillende bestuursniveaus. De logische opsplitsing tussen erkenning - en subsidiebevoegdheid van de centrale overheid en de adviesfunctie en logistieke ondersteuningsfunctie van de lokale besturen dreigt uit evenwicht te raken. Er is dringend nood aan duidelijkheid over wie wat doet op welk niveau en een correcte naleving van die afspraken.

We willen voor de lokale besturen geen dubbelrol van actor en regisseur. Vergunningen, subsidiëring en uitbouw van de kinderopvang blijven vanzelfsprekend een Vlaamse aangelegenheid. Er is bij de actoren van de kinderopvang in Vlaanderen een uitgesproken consensus over de invulling van een laagdrempelig infopunt over aanbod van beschikbare plaatsen. Maar dan ook niet meer dan dat. Geen klachtenafhandeling, geen matching, regie, toeleiding of gemeentelijke gebiedsafbakening. De huidige ICT - toepassingen geven heel wat mogelijkheden, Kind en Gezin heeft een klachtendienst, voorzieningen gaan bewust en verantwoord om met hun opdracht. Dat moet het uitgangspunt zijn en blijven. Een combinatie van objectief informeren, regisseren, ondersteunen én zelf aanbod uitbouwen is een onverantwoorde cocktail. 

6 - Financiering

34. Structurele financiering moet in een meerjarenbegroting worden voorzien. Het decreet moet visionair zijn en duidelijk een betere kinderopvang in de toekomst mogelijk maken. In een gefaseerd financieringsplan moet de overheid de nodige middelen voor realisatie vrijmaken. Dit vergt bijkomende middelen, een herverdeling van de huidige beschikbare middelen is niet aanvaardbaar.
De financiering van de kinderopvang is een gedeelde verantwoordelijkheid van de Vlaamse gemeenschap, ouders-gebruikers en, onrechtstreeks, de federale fiscus.
35. We onderscheiden een financiering voor de basisopdracht en voor de bijkomende dienstverleningen die in de vorm van modules kunnen gefinancierd worden.. Een basisvergoeding ( niet een beperkte kostenvergoeding) wordt toegekend aan de vergunde opvang; bijkomende vergoeding voor tal van bijkomende extra modules komen er bovenop ( bvb. specifieke doelgroepen en verzorging, bijkomende kwaliteit of dienstverlening, netwerking, organisatiekosten, flexibel en occasionele opvang, werken met doelgroepmedewerkers of tewerkstellingsprojecten,…).

36. Financiering staat in verhouding tot reële personeels- en werkingskost van de voorziening: de leefbaarheid van voorzieningen kan niet losgekoppeld worden van de concreet gestelde werkings - (vergunnings-) voorwaarden. De diverse aspecten van de kostenstructuur moeten grondig onderzocht worden zodat de impact van de verschillende opties ( fiscaal, gebruik van opvang, positie van kansengroepen, spreiding van lasten over gezinnen, betalen volgens draagkracht…) op meso -en macroniveau duidelijk zijn.
Vandaag werken zeer veel mensen in de opvang in zeer diverse statuten: werknemers, alleenwerkende zelfstandigen, vennoten, onthaalouders. Ze werken soms in ongunstige statuten en omstandigheden voor een pover inkomen. Het decreet kan zo de basis leggen voor correcte werkvoorwaarden en arbeidsomstandigheden voor al wie werkt in de kinderopvang.37. Tussenkomsten en subsidies worden rechtstreeks overgemaakt aan het organiserend bestuur. Dat gebeurt in het kader van responsabilisering en beheersautonomie via het subsidiëringsmechanisme van de enveloppenfinanciering. De proeftuinen voor het gebruik van dienstencheques voor opvang aan huis zijn niet alleen geen succesformule, in tijden van crisis en groot plaatstekort zijn ze niet verantwoordbaar. Het alternatief is een kwaliteitsvolle, vergunde opvang aan huis, georganiseerd door de vertrouwde voorzieningen binnen een gestroomlijnd en transparant kinderopvanglandschap, toegankelijk voor alle gezinnen en aanvullend op het basisaanbod. Sporadisch, op ongewone uren en te betalen volgens eigen draagkracht. Anders gezegd, opvang aan huis is een specifieke module die op vrijwillige basis aangeboden kan worden. 38. En wat tenslotte met de impact van de Europese regelgeving op de kinderopvang van Vlaanderen? In de visienota wordt vermeld dat het “op basis van deze conceptuele keuzes te ontwikkelen subsidiestelsel moet beantwoorden aan de Europese regels inzake de overheidsfinanciering.”Samen met de Strategische Adviesraad vragen we om te onderzoeken in welke mate kinderopvang zoals geconceptualiseerd in de visienota onder het toepassingsgebied valt van het Europese Verdrag betreffende de werking van de EU en de Richtlijn betreffende diensten op de interne markt van 12 december 2006. We vinden dat kinderopvang in Vlaanderen geëxpliciteerd moet worden als een dienst van algemeen belangBesluit

De Visienota van 29 april 2010 is een stevige aanzet tot het schrijven van een ontwerp van kaderdecreet maar is duidelijk aan verdere bewerking en bespreking toe. Op basis van de uitgebrachte adviezen o.m. van het Raadgevend Comité van Kind en Gezin en van de Strategische Adviesraad (SAR)  én van de talrijke reacties, waartoe we deze nota rekenen, moet het werk duidelijk nog verder gezet worden.Dat verdient de kinderopvang, en iedereen die er mee te maken heeft, nu eenmaal… 
juni 2010
Eindnoten
[1] Zo maakte de Vlaamse Regering  in 2008 13,6 miljoen vrij voor nieuwe plaatsen in erkende kinderdagverblijven en diensten.De Vlaamse Regering besliste om in 2009 78,8 miljoen euro extra te investeren in de uitbreiding en de verbetering van de kinderopvang.  Het extra budget werd voor verschillende doelstellingen ingezet. De meeste acties zijn intussen uitgevoerd :

In 2010 investeert de Vlaamse Regering 5.9 mln euro extra in de uitbreiding van de voorschoolse opvang, goed voor ongeveer 631 extra plaatsen in gesubsidieerde kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders. Voor de uitbreiding van de buitenschoolse opvang is er 2,6 miljoen euro beschikbaar. Naargelang de lokale keuzes stemt dit bedrag overeen met ongeveer 800 tot 1300 bijkomende plaatsen in initiatieven voor buitenschoolse opvang en buitenschoolse opvang verbonden aan een erkend kinderdagverblijf.
[2] We verwijzen graag naar :

  • Onderzoek naar het gebruik van kinderopvang voor kinderen jonger dan 3 jaar in het Vlaamse Gewest in 2009
  • Enquête naar het gebruik van kinderopvang voor kinderen jonger dan 3 jaar (2001-2004)
  • Enquête naar het gebruik van buitenschoolse kinderopvang voor kinderen van 3 tot 12 jaar (2002- 2004) 
  • Grootouders of andere familieleden en kinderopvang. Betrokkenheid, motieven, evaluatie en toekomstige bereidheid (2002) 
  • Kinderopvang in Vlaanderen: onderzoek en gebruik (1999) 
  • Rapport van Unicef: De transitie naar kinderopvang en onderwijs (2008) 
  • Opnamebeleid van erkende kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders (2008)
  • Zoekproces ouders (2008) 
  • Kinderopvang en vrijetijdsactiviteiten. Bespreking van de resultaten van de bevraging bij de lokale besturen. (2004)
  • De werkdruk in de diensten voor opvanggezinnen (2004) 
  • Financiële leefbaarheid van mini-crèches (2004) 

 [3] Zie hiervoor :
           

  • Eindevaluatierapport experiment buurt- en nabijheidsdiensten kinderopvang (2007)
  • Een toekomstvisie op kinderopvang (2003) ( Rapport van de Toekomstgroep)
  • Vernieuwingsgroep kinderopvang- eindrapport voor meer plaatsten en kwaliteit op korte termijn (2003) 
  • Eindrapport proefprojecten CKO (2007-2009)

 [4] Een daadkrachtig Vlaanderen in beslissende tijden, voor een vernieuwende, duurzame en warme samenleving. Vlaamse Regering 2009-2014, 15 juli 2009, p.61.[5] In zgn. Green Paper Decreet Kinderopvang, deel 1: omgevingsanalyse (09.12.2009). Sterke toename van regelmatig gebruik : 52% in 2002; 56% in 2004; 63% in 2009. Deze stijging hangt samen met de toegenomen werkzaamheidsgraad (+15 procentpunten) van de moeders in vergelijking met 2004. Toename van het regelmatig gebruik in bijna elke leeftijdsgroep tot 3 jaar, maar meest opvallend voor de jongste groep kinderen (3 tot 6 maanden) in verhouding tot de toename voor de andere leeftijdsgroepen (van 33% in 2004 naar 53% in 2009). 7% van de kinderen jonger dan 3 maanden maakt regelmatig gebruik van opvang. [6] Efficiëntie wordt vlug en vanzelfsprekend vooropgesteld maar dit mag geen reden zijn om tot herverdeling van middelen over te gaan, noch om kosten van overheidswege af te wentelen.[7] Beleidsnota Welzijn, Volksgezondheid en Gezin 2009-2014, ingediend door J.VANDEURZEN, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin op 29 oktober 2009    ( stuk 191 (2009-2014) Nr.1 ).[8] Meer bepaald in operationele doelstelling 3.1 : Investeren in het aanbod en de structuur van de kinderopvang om zo te bewerkstelligen dat deze haar sociale, economische en pedagogische functie maximaal kan waarmaken ( met het bouwen aan voldoende beschikbare en toegankelijke dienstverlening als strategische doelstelling)[9]Zie rapport Starting Strong II van de OESO en Kind in Vlaanderen 2008 van Kind en Gezin( Voor kinderen beneden de 3 jaar heeft Vlaanderen in 2006 het op één na hoogste gebruikerscijfer maar voor de kwaliteit van de kinderopvang in de internationale context
behaalt Vlaanderen de minimumnorm niet voor belangrijke maatstaven ( opleiding personeel, de ratio begeleider/kind in combinatie met de leeftijd, het financieringsniveau en de uitbouw van ondersteunende, gezinsvriendelijke maatregelen zoals ouderschapsverlof).[10] Alle waardering voor de conceptnota Werk maken van werk in de zorgsector, Kabinet van Vlaams minister van WVG, J. VANDEURZEN. 21 mei 2010. Hierin wordt terecht een specifiek actieplan voor de kinderopvang voorzien.[11] VANDENBROECK, J. ( 2004).In verzekerde bewaring, honderd vijftig jaar kinderen, ouders en kinderopvang. Amsterdam. Uitgeverij SWP.[12] Zie hiervoor o.a. Rapport van de Toekomstgroep ( 2003 ). Een toekomstvisie op kinderopvang. Brussel. Kind en Gezin en PEETERS, J. in Pedagogisch management in de kinderopvang. (2005) Amsterdam. Uitgeverij SWP.[13] Idem[14] Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) opgevat als een continu verbeteringsproces waarbij ondernemingen vrijwillig op systematische wijze economische, ethische, milieu- en sociale overwegingen op een geïntegreerde manier in de gehele bedrijfsvoering opnemen, waarbij overleg met de stakeholders of belanghebbenden, deel uitmaakt van dit proces. In de schoot van het Vlaams Welzijnsverbond werd hiervoor overigens een intersectorale Commissie opgericht.[15] Tot stand brengen van een kwalitatieve regelgeving via de verplichte reguleringsimpactanalyse (RIA). Een RIA is gestructureerde analyse van de beoogde doelstellingen en van de verwachte positieve en negatieve effecten van een voorgenomen regelgeving in vergelijking met de alternatieven. [16] In dat opzicht willen we wel even opmerken dat de neergelegde Visienota [16] een aantal zeer concrete, gedetailleerde aandachtpunten bevat, die o.i. niet thuishoren in een visienota als voorbereiding op een kaderdecreet. Niet alle vooropgezette sporen zijn immers even belangrijk of prioritair.[17] De sector kinderopvang van het Vlaams Welzijnsverbond groepeert de grote meerderheid van de door Kind en Gezin erkende vrije kinderdagverblijven.
Het Verbond telt 140 kinderdagverblijven (KDV) onder zijn leden. Een 20-tal van deze kinderdagverblijven biedt ook buitenschoolse opvang in aparte lokalen aan. Daarnaast zijn er ook zo'n 50 Initiatieven voor Buitenschoolse Opvang (IBO's) en 95 diensten voor onthaalouders (DVO) aangesloten bij het Verbond.
De zelfstandige sector kinderopvang staat steeds vaker in de kijker en dat gaat niet aan het Verbond voorbij. Er zijn 15 zelfstandige kinderdagverblijven (ZKDV) en zelfstandige voorzieningen voor buitenschoolse opvang (ZBKO) aangesloten bij het verbond.
Deze voorzieningen realiseren samen zo'n 29.525 opvangplaatsen in Vlaanderen en Brussel.
Onze leden bundelden via de provinciale coördinatiecomité’s alle vragen en opmerkingen en speelden ze door aan hun vertegenwoordigers in het sectoraal directiecomité (SD). Sinds het najaar van 2009 stond het voorbereiden van dit kaderdecreet steevast op de agenda van onze vereniging. Buiten de gewone vergaderingen werden er ook specifieke reflexiedagen aan dit kaderdecreet besteed. In het verlengde van de toenmalige Toekomstgroep en de Vernieuwingsgroep werd in verhoogde versnelling gewerkt om alle bedenkingen en verzuchtingen te stroomlijnen in een coherente reactie op de Visienota waarvan we pas na 5 mei jl. kennis konden nemen.Onze eerste zorg was de bijdrage tot het Advies van het Raadgevend Comité van Kind en Gezin. Dat werd eind mei afgerond. Dank zij de inzet van het Bureau van ons Directiecomité Kinderopvang konden we onze conclusies bij de Visienota op een extra denkdag van 4 juni afwerken. Het laatste is over dit decreet zeker nog niet gezegd, maar hieronder volgen de afgeklopte standpunten.[18] Het Vlaams Welzijnsverbond werkte hiervoor reeds een projectvoorstel uit.